45-65

45-65

Jan Walravens, kunstcriticus

6.12.25 - 5.04.26

45-65. Jan Walravens, kunstcriticus

Jan Walravens (1920-1965), een temperamentvol criticus, bracht via het tijdschrift Tijd en Mens een naoorlogse generatie experimentele schrijvers samen. Minder bekend is dat hij ook een indrukwekkend kunstkritisch oeuvre naliet, zowel in de krant en voor radio en televisie als in monografieën, essays, catalogi, lezingen en tentoonstellingen. De covers en illustraties van Tijd en Mens komen van zijn entourage van bevriende kunstenaars, en later ook van internationale artiesten uit de Cobra-beweging. Een markant man met een bijzondere manier van kijken. Hij vertrekt altijd vanuit zijn eigen ontroering en ziet zichzelf als ‘eerste toeschouwer’. Wars van jargon – zonder franje of elitisme – maakt hij kunst toegankelijk. In zijn vroege jaren kijkt Walravens vooral naar figuratieve kunst. Wanneer de generatie van de Jeune Peinture belge eind jaren 1940 de stap naar abstractie zet, koestert hij een duidelijke voorliefde voor lyrische abstractie.

De figuur van Jan Walravens valt op door zijn veelzijdigheid. Zijn scherpe en heldere pen is alomtegenwoordig op de literaire en kunstscène na WOII. Hans Vandevoorde en Katrien Vanhamel, wetenschappelijke samenstellers van 45-65, gaan op zoek naar Walravens’ inzichten in de kunstwereld. Dit gebeurt met een tentoonstelling over kunstenaars van verschillende generaties, die hij met een verfrissende openheid benaderde. In eerste instantie stelt hij kunstenaars van eigen bodem voor, maar zijn blik reikt ook verder tot de internationale kunstscène.

45-65

40-50

50-60

Post 58

60-65

Kunst op antenne

Walravens en Magritte

Kunstenaars in 45-65

45-65

Een stem op het culturele toneel

Twintig jaar lang volgt Walravens de artistieke scène van heel dichtbij. Hij schrijft er met passie over en laat zo een helder en persoonlijk beeld na van zijn tijd, een kunstwereld in wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Kort na de Bevrijding in 1944 begint hij bij het liberale Het Laatste Nieuws. Hij brengt in meer dan 900 artikels voor een breed publiek verslag uit van kunst en cultuur.

In de jaren 1950 breidt Walravens zijn werkterrein uit. Hij brengt kunst op radio en televisie en noteert persoonlijke observaties in de rubriek ‘Vijfde kolom’ in het maandblad De Periscoop. Buitenlandse tijdschriften vragen hem om inzichtelijke stukken over Belgische kunst, en in Nederland publiceert hij onder meer in De Groene Amsterdammer.

Een groot deel van zijn beste werk verschijnt in De Vlaamse Gids, een literair-cultureel tijdschrift waarvan hij jarenlang een van de drijvende krachten is en waar hij de vinger aan de pols van de tijd houdt, voor de kunst van binnen- en buitenland. Ook in de jaren 1960, wanneer de Brusselse galeriewereld bloeit, ondersteunt hij actief kunstenaars met raad en daad.

40-50

Een jonge criticus voor de Jeune Peinture belge

In 1938 woont Jan Walravens een tentoonstelling bij van Belgische expressionisten in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Een nieuwe wereld gaat open voor de erudiete jongeman, die tijdens zijn tienerjaren de artistieke en literaire scène autodidactisch verkent. Hij ziet er James Ensor, Gustave van de Woestyne, Edgar Tytgat en Léon Spilliaert. Het is  een openbaring voor hem. In schriftjes en dagboeken legt hij zijn eerste bevindingen vast over kunstenaars die hem intrigeren, van Rembrandt tot Slabbinck, van Bruegel tot Permeke.

Na de oorlog worden het kubisme van Picasso en de Jonge Franse schilderkunst belangrijk voor de generatie van de Jeune Peinture belge, met wie de existentialist Walravens zich verwant voelt: Gaston Bertrand, Anne Bonnet, Jan Cox, Rudolf Meerbergen, Marc Mendelson, Rik Slabbinck, Jan Vaerten en Louis Van Lint. Voor hem brengt deze generatie orde en evenwicht, in een zuiver coloriet. Wanneer de meeste kunstenaars van die generatie aan het eind van de jaren 1940 de stap naar de abstractie zetten, koestert hij een duidelijke voorliefde voor de belangrijksten onder hen (Bertrand, Bonnet, Mendelson en Van Lint) en voor de steeds figuratief gebleven Cox.

In deze periode ontpopt Walravens zich ook tot een organisator van tentoonstellingen. Zo zorgt hij ervoor dat Felix De Boeck exposeert bij Galerij Giroux in 1952, waarbij hij een monografie aan deze kunstenaar wijdt.

50-60

Tussen koude en warme abstractie

De kunstscène in België vanaf Cobra (1948 – 1951) gonst. Experiment staat centraal. Terwijl de kunstenaars van de Jeune Peinture belge evolueren naar de abstractie, laat Cobra de figuratie nooit geheel los. Wanneer Cobra al in 1951 verdwijnt, wordt er aan de ene kant gefocust op geometrie, met kunstenaars zoals Jo Delahaut, Maurice Boel en Jan Saverys, die zich verenigen in de kring Art Abstrait. Aan de andere kant gaat het er minder ingehouden aan toe, wat tot uitdrukking komt in lyrische abstractie, de zogenaamde informele kunst of tachisme, met kunstenaars als Maurice Wyckaert, Roger Raveel, Jan Burssens en Serge Vandercam. Walravens wordt intuïtief meer aangetrokken door de dynamiek en kleur van de ‘warme’ lyrische hoek dan door de eerder ‘koude’ geometrische abstractie.

Hij werpt zich in die periode op als commentator en tussenpersoon voor kunstenaars. Hij doet dat onder meer in nieuwe tentoonstellingsplekken in Brussel en in de provincie, zoals Le Zodiaque, Taptoe en Celbeton of in het al langer bestaande zaaltje van Galerie Aujourd’hui, op de tweede verdieping van het Paleis van Schone Kunsten, waar zijn vriend Hugo Claus in 1959 exposeert.

Post 58

Figuratie en abstractie, een schijntegenstelling

De Wereldtentoonstelling van 1958 zorgt voor een artistiek reveil op de Belgische kunstscène. Walravens schrijft er een reeks artikelen en essays over. Enkele jonge kunstenaars ontbreken echter op de affiche. Zij krijgen wél een podium en Walravens’ steun bij het kunstcollectief G58, tijdens alternatieve en spraakmakende tentoonstellingen in het Antwerpse Hessenhuis.

Rond 1960 breken kunstenaars die in de informele richting werken definitief door en abstracte kunstenaars die eerder deel uitmaakten van de Jeune Peinture belge krijgen algemene erkenning. Ook figuratieve schilders en beeldhouwers gaan over naar de abstractie. Walravens houdt een warm pleidooi voor hen. Als gerespecteerd en invloedrijk criticus speelt hij voor vele kunstenaars een belangrijke rol, onder meer als raadgever en jurylid van prijzen. Walravens’ vizier is breed, maar hij koestert reserves bij nieuwe stromingen als de Amerikaanse popart en het Franse nouveau réalisme. Hij volgt van nabij de tentoonstellingen in Gent van Forum en de expo in 1964 over Figuratie/defiguratie van Karel Geirlandt. In de jongste kunst ontwaart hij een belangrijke algemene tendens: de terugkeer van de menselijke figuur, waardoor de tegenstelling tussen figuratief en abstract uiteindelijk wordt opgeheven.

60-65

Een brug naar de oude (avant-)garde

Walravens zoekt naar verdieping en draagt bij aan synthesewerken over figuratieve en abstracte stromingen. De focus ligt niet enkel op het vernieuwende, maar ook op de plaats van de moderne kunst in een ruimere traditie. In zijn overzichtsessays, zoals Hedendaagse schilderkunst in België (1961), komen nieuwe namen met oudere meesters samen. Het bekendste maar meest gecontesteerde overzichtswerk waar hij aan meewerkt, is dat van Michel Seuphor, Abstracte schilderkunst in Vlaanderen (1963), waarvoor hij 41 lemma’s schrijft.Walravens zet zich tijdens zijn hele carrière als criticus in het bijzonder in voor Felix De Boeck. Postuum verschijnt een tweede monografie. Hij blijft het werk van De Boeck waarderen ‘als een genereuze uitdrukking van de levensenergie en een luciede uitdrukking van al wat de mens eigen is’, ondanks zijn eigen geloofsafval.

Ook tijdgenoten van De Boeck, de eerste generatie avant-gardisten, brengt Walravens voor het voetlicht, zoals Victor Servranckx, Jozef Peeters en Frans Masereel. Uit de surrealistische beweging is hij bevriend met Geert van Bruaene, uitbater van het Goudblommeke in Papier, en E.L.T. Mesens. In 1961 interviewt hij Magritte in Gent voor de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst.

In zijn overzichtsartikelen komt Walravens steeds terug op één thema: de tegenstelling tussen figuratieve en niet-figuratieve kunst, die volgens hem niet langer relevant is. Zelfs in abstracte kunst vertrekt een kunstenaar immers vaak van de werkelijkheid, die wordt vervormd, vereenvoudigd of geabstraheerd. In figuratieve kunst kan de kunstenaar de realiteit op een persoonlijke manier tonen en spelen kleur en vorm samen een belangrijke rol. In abstracte kunst draait alles om de pure, absolute kleur. Beide benaderingen hebben hun intrinsieke kracht.

Kunst op antenne

Walravens als didacticus

Radio en televisie openen nieuwe vensters op de kunst. Walravens begint al in 1945 met radioreportages voor de openbare omroep en houdt dit vol tot het einde van zijn carrière. Hij bespreekt voor programma’s zoals Kunstkaleidoscoop en De Zeven Kunsten tentoonstellingen, kunstenaars en kunststromingen. Voor televisie schrijft hij scenario’s voor atelier- en tentoonstellingsbezoeken die in de rubrieken voor de jeugd Aangename kennismaking of Hou je van…. aan bod komen.

We zien er de pedagoog die schuilt in Walravens, maar ook de liefhebber van poëzie, film en theater met veel verbeeldingskracht. In zijn scripts zoomt hij in op de kunstenaar aan het werk, speelt hij met fast forward van beelden, laat hij het schilderij overgaan in het gezicht van de maker, van de mens achter het doek. Het is een metafoor van de manier waarop hij kunst tastbaar, speels en levend maakt voor ons als toeschouwer.

De atriumruimte in het museum wordt tijdens 45-65 omgetoverd tot een redactievloer uit de tijd van Walravens. Ideaal om als bezoeker te snuisteren in materiaal uit het VRT-archief en uit het Letterenhuis. Het is ook de uitgelezen plek voor De Wondere Pluim, een uniek schrijfgebeuren voor lagereschoolkinderen van de Brusselse Rand die hier tijdens de tentoonstelling neerstrijken, om hun fantasie en creativiteit de vrije loop te laten gaan.

Walravens en Magritte

Een unieke vondst in het VRT-archief

In november 1961 gaat Jan Walravens uitvoerig in gesprek met René Magritte tijdens een interview voor de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent. Er komen meer dan 400 belangstellenden opdagen.

Op zijn beurt wijdt de openbare omroep op 7 december 1961 een item van het programma Actueel aan een gesprek tussen de surrealist en Walravens. Na een zoektocht in het VRT-archief zijn deze beelden teruggevonden. VRT-archivaris Thomas Eyskens spreekt van een belangrijke vondst: waarschijnlijk is dit het enige tv-interview met Magritte in het VRT-archief. Voor de tentoonstelling 45-65 is het gedigitaliseerd.

Kunstenaars in 45-65

Pierre Alechinsky – Karel Appel – Gaston Bertrand – Anne Bonnet – Jan Burssens – Hugo Claus – Julien Coulommier – Jan Cox – Felix De Boeck – Jan Delandtsheer – Jean Dubuffet – Jean-Jacques Gailliard – Asger Jorn – Françoise Lambilliote – Guillaume Leunens – René Magritte – Pol Mara – Lode Matthijs – Rudolf Meerbergen – Marc Mendelson – Luc Peire – Roger Raveel – Reinhoud – Jan Saverys – Victor Servranckx – Michel Seuphor – Rik Slabbinck – Jan Vaerten – Englebert Van Anderlecht – Camiel Van Breedam – Guy Vandenbranden – Lucien Van den Driessche – Serge Vandercam – Paul Van Hoeydonck – Louis Van Lint – Frans Walravens – Florent Welles – Maurice Wyckaert

Boek Tickets