Omringd

Omringd. Vaste collectie Felix De Boeck

Aspecten

27.04.2014 - 25.10.2015
Camouflage

Omringd. Vaste collectie Felix De Boeck

Felix De Boeck zal in zijn lange kunstenaarsleven vanuit de traditie over het avant-gardistische avontuur van de abstracte kunst, terugkeren naar een eigen figuratieve symbolische kunst. Post-impressionistische stillevens en hoevezichten worden opgevolgd door expressief fauvistische interpretaties van de omliggende regio om snel over te lopen in gesynthetiseerde abstracte landschappen en te eindigen met symbolische pictogrammen. Een ambigue combinatie van abstractie en figuratie zal het grootste deel van zijn oeuvre uitmaken.

Cirkel

Evolutie

Portret

Cirkel

De creatieve intuïtie van Felix De Boeck baseerde zich op een diepe inleving in het menselijk bewustzijn en de vereniging van de natuur waarbij een goddelijk principe een rode draad vormde. De kunstenaar, natuurmens en intellectueel, streefde om deze gevoeligheid ook naar een publiek te brengen. Deze ethische bezorgdheid, ‘het stichtende’ in zijn werk, vormt de kern van de ‘roeping’ van een generatie die sterk onder de invloed stond van het humanitair expressionisme. Deze stroming die de mens centraal stelde en waarbij alles een universele, kosmische dimensie kreeg, is bepalend geweest in het ontstaan van de thema’s die De Boeck zal uitwerken vanaf midden de jaren 1930. Opvallend hierbij is het gebruik van de cirkel, die in zijn oeuvre een soort constante vormt. De cirkel als volmaakte figuur, zonder begin en einde, symboliseert de dynamische cyclus van het leven. Het verbindt leven en dood, thema’s die het œuvre van De Boeck domineren. Dit zien we in de reeksen Moederschappen en Zelfgave.

Evolutie

De evoluties in De Boecks werk voltrekken zich vanaf begin jaren ’30 in relatieve afzondering. Hij plooit zich terug op een intieme zoektocht. Als landbouwer was hij gefascineerd door de schoonheid van het dagelijkse wonder van de natuur. De Boeck toont de grootsheid en de universaliteit van de kleinste, eenvoudigste onderwerpen op een heel sobere wijze. Om die reden kregen deze werken de naam ‘Franciscaans’.  Vanuit zijn hoeve in Drogenbos filosofeert De Boeck in Regen over de universele wetmatigheden achter vallende regendruppels op een wateroppervlak. De kringen in het water tonen ons een zeldzaam natuurlijk moment van pure geometrie. Een pantheïstische kijk op de wereld, waarbij het goddelijke zich in alles wat ons omringt openbaart, vervangt het louter formele van de vormvernieuwing. Vanaf het einde van WOII ontstaan de grote reeksen en stijgt De Boecks productie. Kenmerkend zijn de lichtpunten, de transparante kleurlagen en de dominantie van gedempte kleuren die gelijklopen met de gemoedsstemmingen van de kunstenaar.
De ontwikkeling van een tweede golf van abstractie, opgekomen na de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel,  laat zich voelen door een terugkeer naar de rechte lijn. Heel zijn geboortestreek werd uitgebeeld in de Nachtlichten.

Portret

De evolutie van het postimpressionisme over een ‘mild’ modernisme naar een uitgesproken avant-gardebeweging, werd in enkele maanden volbracht. Net zoals bij Prosper De Troyer en Jozef Peeters zullen Felix De Boecks schilderijen evolueren van een subjectieve momentopname naar een vernieuwende, collectivistische vormtaal. In een naoorlogs revolutionair klimaat en vanuit een wens tot actieve maatschappelijke verandering, dichtten de kunstenaars zich een nieuwe rol toe. De zaterdagbijeenkomsten in de hoeve hervatten, met veelvuldig bezoek van Paul van Ostaijen, Jean Dypréau, Edmond Vandercammen, Marcel Coole en Pieter G. Buckinx. Naast schrijvers-dramaturgen als Michel De Ghelderode en Herman Teirlinck, heeft De Boeck contacten met de modernistische toondichter Willem Pelemans alsook met de radio- en televisiepioniers Jan Boon en Bert Leysen.
Zowel in Antwerpen als in Brussel organiseert zich de abstracte beweging rond avant-garde tijdschriften, respectievelijk Het Overzicht en 7 Arts. Gedurende een jaar, van 1919 tot 1920, zal de geometrische abstractie zelfs de enige uitdrukkingsvorm voor De Boeck zijn. Medestanders gaan van de geëngageerde houtsnijder Albert Daenens naar Karel Maes, die de kubistische en abstracte kunsten in de binnenhuisarchitectuur introduceert. Pierre Bourgeois zal in 1923 De Boecks werk, alsook dat van Pierre-Louis Flouquet, bestempelen als plastique pure sentimentale, wat tegenover de plastique pure concrète, of ‘koele’ abstractie van Peeters of Maes stond.